Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 1960) is hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Luik. Hij promoveerde in Leuven op het werk van Paul van Ostaijen, maakte school met een redacteurschap bij het literaire tijdschrift Yang en stond aan de basis van Freespace Nieuwzuid. Discursieve machine voor cultuurkritiek en amusement.
Na de duobundel Golden Boys (Contramine, 1985) met Dirk van Bastelaere publiceerde Spinoy De jagers in de sneeuw (Manteau, 1986) waarvoor hij de Vlaamse Prijs voor het Beste Literaire Debuut kreeg. Daarna volgden het met de Hugues C. Pernath-prijs bekroonde Susette (Arbeiderspers, 1990) en Fratsen (Arbeiderspers, 1993). Na bijna tien jaar stilte begon Spinoy weer poëzie te bundelen in Boze wolven (Meulenhoff, 2002) dat leidde tot de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies, L (Meulenhoff, 2004) dat de Prijs voor Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen opleverde en Ik, en andere gedichten (Meulenhoff/ Manteau, 2007).
Spinoys zevende bundel Dode kamer (Bezige Bij Antwerpen, 2011) werd genomineerd voor de VSB-poëzieprijs vanwege ‘een homogeen hoge kwaliteit’.